Beek - Ubbergen

Parochiegeschiedenis

De oude parochiekerk van Beek is gebouwd in 1286. Het was aanvankelijk een kleine kapel, toegewijd aan de apostel Bartholomeus. Deze kerk bestaat nog steeds en is dus al meer dan 700 jaar oud. Het is de kleine kerk van Beek. Viermaal per jaar werd hier in het begin een H. Mis opgedragen door priesters, die uit andere plaatsen kwamen.
Het gebouw werd tijdens de eerste 150 jaar van haar bestaan tweemaal vergroot. De kapel werd rond 1436 tot parochiekerk verheven.

Verscheidene rectoren en pastoors zijn er aan verbonden geweest. In het jaar 1592 moest pastoor Theodorus Drubbel, als voorlopig laatste pastoor het door oorlogstonelen geteisterde Beek ontvluchten. Rond 1620 werd de verlaten kerk door de hervormden in gebruik genomen. De katholieken gingen in andere plaatsen ter kerke, zoals aanvankelijk op Kleefs gebied en later ook in Nijmegen.

In 1795 werd godsdienstvrijheid een grondrecht. De Franse Revolutie en de Verlichting waren de achtergrond van de opheffing van het verbod op openbare diensten van de katholieken. Al vanaf 5 september 1795 kon de R.-K. parochie van Beek zich er weer in verheugen over een eigen herder te beschikken in de persoon van Jacobus Sieben. Deze Sieben was een priester uit Kalkar (Dld.), die Beek had leren kennen op zijn voettochten naar de kerk in Wamel, waar hij regelmatig voorging tijdens de mis. Op 13 september van dat jaar werd in een woonhuis (in de Waterstraat) te Beek de eerste katholieke dienst sinds tweehonderd jaar gehouden. Gesterkt door de nieuwe tijdgeest dienden enkele Beekenaren op 18 april 1795 in een rekest bij de 'Landschap' voor het gebruik van de oude Bartholomeuskerk.

Het resultaat was positief: op 12 maart 1796 werd in de vergadering van Schout en Schepenen van het kwartier Nijmegen besloten, dat voortaan de hervormden hun kerk met de katholieken moesten delen. Dit gezamenlijke gebruik om beurten wordt “simultaneum” genoemd. Het gevolg was wel dat niemand zich meer verantwoordelijk voelde voor het onderhoud van het gebouw. In 1824 verkeerde het daarom in een dusdanige toestand, dat het wegens bouwvalligheid werd gesloten. Op het kerkhof tegen de kerk aan werd een houten loods opgebouwd als noodkerkje voor de katholieken, terwijl de hervormden zich gedwongen zagen gebruik te maken van het witte kerkje in Ubbergen.

Na bijna dertig jaren kwam op 10 oktober 1825 een einde aan de huisvestingsproblemen, toen het kerkbestuur door een beschikking van koning Willem I een rijkssubsidie van f 6.000, - voor de bouw van een eigen kerk werd verleend. Deze subsidie werd nog aangevuld met gulle giften van ondermeer pastoor Sieben, de parochie en van ver daarbuiten tot een bedrag van f 13.698,- waarvoor de bouw werd aangenomen.

In het voorjaar van 1826 werd met de bouw begonnen op het braakliggende terrein tegenover de hervormde kerk, dat sindsdien de Kerkberg heet. Nog vóór de winter van 1826 werd het kerkgebouw zonder plechtigheid in gebruik genomen.

In 1830 vervaardigde de orgelbouwer Henricus Dominicus Lindsen een fraai orgel. Het was zijn eerste werkstuk als zelfstandig orgelmaker.

Ter gelegenheid van het 50-jarig priesterfeest van de toenmalige pastoor Sieben op 11 december 1833 werd de nieuwe kerk plechtig ingewijd door Mgr. P. Hermans, vicaris van het latere Bisdom Den Bosch.

Door de aanzienlijke toename van het aantal parochianen werd de kerk in de jaren 1891/1892 door architect Jules Kaijser enorm vergroot.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de drie klokken door de Duitsers geroofd. Bij de oorlogshandelingen in september en oktober 1944 in Beek werd het kerkgebouw door inslaande granaten zwaar getroffen, waarbij onder meer de kostbare gebrandschilderde ramen verloren gingen en de pastorie met het daarin aanwezige kerkarchief in vlammen opging.

In 1952 werd met de eigenlijke restauratie begonnen, waarbij het interieur grote veranderingen onderging. In de toren werden weer drie luidklokken opgehangen. Bij een grote opknapbeurt in de jaren 1972/1977 werd geleidelijk aan het interieur aangekleed met neobarokke inventarisstukken uit de boedel van kerken, die gesloten of afgebroken werden. In diezelfde periode kreeg het orgel de status van rijksmonument en werd het grondig gerestaureerd. Stichting Concertserie Beek organiseert sindsdien regelmatig kerkelijke concerten rond het orgel.

In 1996 werden vrijwel alle ramen voorzien van gebrandschilderd glas. Drie ramen zijn afkomstig uit de voormalige St.- Pieterskerk in ’s-Hertogenbosch, een gift ter gelegenheid van het afscheid van pastoor Wim van Kessel. Zij stelllen respectievelijk voor: Maaltijd in Emmaus, Antonius van Padua en Maria Immaculata. De overige ramen, een gulle donatie van individuele schenkers, zijn nieuw bijgemaakt in een historiserende stijl.

Aan de Beekse kant van het gebouw zijn scènes te zien uit het leven van Jezus, deels berustend op bijbelse gegevens, deels op overlevering. Aan de overzijde tonen de ramen enkele bijbelse gelijkenissen, zoals de gelijkenis van de Goede Herder, de gelijkenis van de zaaier. De bruiloft van Kana, en de boot in de storm op het meer van Genesareth die zich ook aan deze zijde bevinden, zijn scènes uit het leven van Jezus.

Sinds 2006 prijkt in de toren, die overigens is gemodelleerd naar die van de St.-Stevenskerk in Nijmegen, een carillon van 18 klokken, dat door de parochie is aangeboden aan pastoor Maarten Wesseling, ter gelegenheid van diens 40-jarig priesterjubileum. Voor meer informatie zie carillon.